Meer blogs


Naar archief >

Delen

U bevindt zich hier: Trending > Blog > Werkgevers: wijzigingen 2020

Werkgevers: wijzigingen 2020

Hieronder geven wij in het kort de meest belangrijke (verwachte) wijzigingen in wet- en regelgeving.
Wilt u meer informatie of heeft u nog vragen? Neem dan gerust contact op met ONS.

Minimumloon

Per 1 januari 2020 worden de bruto minimumlonen verhoogd. Vanaf deze datum gaat het minimumloon ook gelden voor opdrachtnemers die geen zelfstandig ondernemer zijn en voor werknemers die een beloning per stuk ontvangen. Onderstaand treft u de bedragen aan.

Leeftijd Per maand
Per week                  € Per dag                    €
21 jaar en ouder 1653,60 381,60 76,32
20 jaar 1322,90 305,30 61,06
19 jaar 992,15 228,95 45,79
18 jaar 826,80 190,80 38,16
17 jaar 653,15 150,75 30,15
16 jaar 570,50 131,65 26,33
15 jaar 496,10 114,50 22,90

Voor scholieren die naast hun werk een beroepsbegeleidende leerweg volgen gelden andere bedragen.

Werkkostenregeling

Normaal gesproken worden loonheffing en premie volksverzekeringen op het salaris van de werknemer ingehouden (en door u als werkgever afgedragen), en bent u daarnaast als werkgever nog premie werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (ZVW) verschuldigd. In sommige gevallen is het echter niet gebruikelijk of wenselijk de loonheffing/premie volksverzekeringen bij de werknemer in te houden. In dat geval kunt u de heffing toch voor uw rekening nemen door eindheffing toe te passen.

Ook in 2020 mag u via de vrije ruimte 1,2% (van uw totale fiscale loonsom) onbelast laten. Dit doet u door vergoedingen en verstrekkingen aan te merken als eindheffingsloon. Bij overschrijding van de vrije ruimte moet u 80% eindheffing afdragen over het meerdere. Het is dus van belang om vooraf goed in te schatten welke kostensoorten wel of niet in de eindheffing worden opgenomen.

Tot een loonsom van € 400.000 mag u vanaf 2020 een vrije ruimte van 1,7% rekenen (van uw totale fiscale loonsom). Als werkgever kunt u hierdoor vanaf 2020 tot € 2.000 hogere onbelaste vergoedingen geven aan uw medewerkers.

Let op! U ontvangt rond januari 2020 de afrekening van de WKR in 2019. De verruiming is pas over 2020 geldig, dus de afrekening van de nieuwe verruiming in 2020 ontvangt u pas in 2021.

Voor bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen geldt dat deze gericht zijn vrijgesteld of mag u de waarde op nihil stellen. Dit betekent dat u ze onder voorwaarden onbelast aan uw werknemers kunt geven zonder dat u hiervoor vrije ruimte hoeft op te offeren.

Aanwijzen als eindheffingsloon

Het uitgangspunt is dat alles wat u aan de werknemer betaalt, vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt belast loon is tenzij:

  • Het buiten het loonbegrip valt, bijvoorbeeld een cadeautje bij een persoonlijke feestdag van de werknemer ter waarde van maximaal € 25 inclusief BTW, een fruitmand of een rouwkrans of iets dergelijks;
  • Het intermediaire kosten betreft, bijvoorbeeld als de werknemer iets betaalt voor wat tot het vermogen van de werkgever behoort bijvoorbeeld parkeerkosten bij een auto van de zaak;
  • De waarde van de vergoeding of verstrekking als nihil wordt aangemerkt door de Belastingdienst. U hoeft dan niet bij te houden welke werknemer deze vergoeding of verstrekking ontvangt. Wel dient u het aantal vergoedingen of verstrekkingen bij te houden;
  • De vergoeding of verstrekking is door de Belastingdienst aangemerkt als gericht vrijgesteld.
    U dient hierbij wel te registeren aan welke werknemer deze vergoeding of verstrekking is gegeven;
  • De vergoeding of verstrekking door u is aangewezen als eindheffingsloon.

Uiterlijk in de loonaangifte over de eerste periode van 2020 dient de afrekening plaats te vinden van de vrije ruimte 2019. Het is dan ook verstandig om nu al in beeld te brengen of alle vergoedingen en verstrekkingen waar gewenst zijn aangewezen als eindheffingsloon. Na afloop van het jaar is het niet toegestaan om alsnog vergoedingen en verstrekkingen alsnog aan te wijzen als eindheffingsloon.

Maar ook als u de vrije ruimte nu al heeft overschreden, kan dit aanleiding zijn om arbeidsvoorwaarden en regelingen te wijzigen om verdere overschrijding te voorkomen of te beperken.

Heeft u vragen over de werkkostenregeling binnen uw onderneming? Neem dan contact op met uw relatiebeheerder of met Patricia ter Haar (patricia.terhaar@ons.nl).

Loonkostenvoordelen

Lage inkomensvoordeel

De Wet Tegemoetkoming Loondomein, het lage-inkomensvoordeel (LIV) is een regeling waardoor het goedkoper is om medewerkers met een inkomen van minimaal € 10,05 en maximaal € 12,58 (cijfers 2019) per uur in dienst te nemen en te houden mits zij op jaarbasis tenminste 1248 uur werken. Het lage inkomensvoordeel bedraagt vanaf 1 januari 2020 maximaal € 1.000,00 op jaarbasis bij een fulltime dienstverband van 2080 uur per jaar (cijfers 2019).

Loonkostenvoordeel

Vanaf 1 januari 2018 is de systematiek van het huidige recht op premiekortingen, voor het in dienst  nemen of  houden van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, vervangen door een loonkostenvoordeel (LKV).

Het betreft dan oudere werknemers van 56 jaar en ouder die worden aangeworven vanuit een uitkeringssituatie, Arbeidsgehandicapten die worden aangeworven of herplaatst en werknemers uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden.

Voor oudere en gehandicapte werknemers bedraagt het loonkostenvoordeel maximaal € 6.000,00 per jaar bij een fulltime dienstverband. Voor werknemers uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden bedraagt het loonkostenvoordeel maximaal € 2.000,00 per jaar bij een fulltime dienstbetrekking.

De tegemoetkomingen worden separaat door de belastingdienst, in het jaar volgend op het jaar waarin het  recht ontstaat, uitgekeerd. Toekenning vindt plaats naar rato van het aantal verloonde uren in een kalenderjaar en wordt alleen toegekend voor werknemers tot de AOW-gerechtigde leeftijd .

Om voor de tegemoetkomingen loonkostenvoordeel in aanmerking te komen dient de werknemer over een doelgroepverklaring van de uitkeringsinstantie  te beschikken. Deze doelgroepverklaring dient door de werknemer binnen 3 maanden na indiensttreding te worden aangevraagd bij de uitkeringsinstantie. Zonder doelgroepverklaring  bestaat geen recht  op een loonkostenvoordeel en de verklaring wordt ook niet met terugwerkende kracht afgegeven. Pas als de doelgroepverklaring is afgegeven, kan via de  salarisadministratie bij de aangifte loonheffingen een code worden meegeven dat recht bestaat op een loonkostenvoordeel. Het verdient dus aanbeveling om direct bij indiensttreding de doelgroepverklaring al aan te laten vragen door de werknemer en deze aan te leveren bij de salarisadministratie.

Let op: Uitbetaling van het loonkostenvoordeel over 2019 vindt pas plaats in 2020!

Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon

Daarnaast is er in 2020 nog een tegemoetkoming  (jeugd-LIV) mogelijk  waardoor de werkgever recht heeft op een loonkostenvoordeel voor werknemers die op 31 december 2019 de leeftijd van 18 tot en met 21 jaar hebben en het minimumloon verdienen. Het loonkostenvoordeel is een tegemoetkoming in de loonkosten bedoelt ter compensatie van de extra kosten omdat het volwassen minimumloon nu geldt voor een 21-jarige.

De loonkostenvoordelen hoeven niet door de werkgever te worden aangevraagd. Het recht op LIV wordt jaarlijks achteraf automatisch door het UWV aan de hand van de polisadministratie beoordeeld en door de Belastingdienst aan u uitbetaald.

De werkgever ontvangt jaarlijks voor 15 maart een overzicht van de rechten over het voorgaande jaar. Dit overzicht wordt vervolgens ter goedkeuring beschikbaar gesteld aan de belastingdienst die de vergoeding uiterlijk binnen 6 weken na 1 augustus zal uitkeren.

Auto’s zonder CO2-uitstoot

Voor auto’s zonder CO2-uitstoot met een datum eerste toelating op of na 1 januari 2020 geldt vanaf 1 januari 2020 een verlaagde bijtelling van 8% voor zover de cataloguswaarde € 45.000 of lager is. Voor het deel van de cataloguswaarde boven € 45.000 geldt de algemene bijtelling van 22%.

Let op: Voor auto’s zonder CO2-uitstoot met een datum eerste toelating voor 1 januari 2020 gelden andere percentage’s.

Bijtelling elektrische auto’s

In 2020 wordt de bijtelling voor het privégebruik van een nieuwe elektrische auto’s van de zaak verhoogd van 4% naar 8%. Deze bijtelling wordt volgend jaar berekend over de eerste € 45.000 van de catalogusprijs van de auto. Is de catalogusprijs hoger? Dan geldt voor het meerdere een bijtellingspercentage van 22%. Nu is dat nog 4% bijtelling over de eerste € 50.000 en 22% over het meerdere. Er geldt wel een overgangsregeling, waardoor u vanaf de eerste tenaamstelling nog 60 maanden de bestaande bijtelling mag hanteren.

Het bijtellingspercentage voor elektrische auto’s wordt in 2021 verder verhoogd tot 12%. In 2022 tot met 2024 bedraagt de bijtelling 16% en in 2025 17%. De catalogusprijs van een nieuwe elektrische auto waarop deze percentages moeten worden toegepast, is in de periode 2021 tot met 2025 vastgesteld op € 40.000. Is de catalogusprijs hoger? Dan geldt voor het meerdere weer een bijtellingspercentage van 22%. Met ingang van 2026 bedraagt de bijtelling van de elektrische auto 22% over de hele catalogusprijs, gelijk aan die van gewone auto’s.

Let op: rijdt u in een auto op waterstof? Dan geldt de splitsing in het bijtellingspercentage niet.

Nieuwe fietsregeling

Vanaf 1 januari 2020 is er een nieuwe fiscale regeling voor een fiets van de zaak. Een fiets van de zaak kost vanaf 2020 een vast bedrag van een paar euro per maand voor uw werknemer. De forfaitaire bijtelling voor het privégebruik van een zakelijke fiets is vastgesteld op 7%.

De regeling geldt alleen voor een fiets die u als werkgever ter beschikking stelt. U moet dus de fiets aanschaffen en de fiets blijft uw eigendom. De werknemer mag er gebruik zakelijk (voor woon-werk verkeer) en privé gebruik van maken. Bij een terbeschikkinggestelde fiets wordt 7% van de waarde per jaar belast.

Let op! Dit betekent ook dat de fiets bij het einde van het dienstverband moet worden teruggegeven of dat de werknemer een bedrag betaalt voor het overnemen van de fiets. Behalve de aanschaf komen ook de bijkomende kosten van bijvoorbeeld onderhoud of een verzekering voor rekening van de werkgever, omdat de fiets in uw eigendom is. Deze aftrekbare kosten komen gewoon ten laste van de winst.

De bijtelling wordt bij het loon geteld en u moet hierover loonbelasting inhouden. De kosten voor het gebruik van de fiets voor de werknemer zijn mede afhankelijk van de hoogte van het loon. Hoe hoger het belastingtarief, des te hoger de bedragen voor de jaarlijkse- en maandelijkse belasting.

U mag uw werknemer met een fiets van de zaak geen vergoeding meer geven voor zakelijk gefietste kilometers, waaronder het woon-werkverkeer. Dat kan alleen voor kilometers die hij fietst op een fiets die zijn eigendom is. Voor het zakelijk gebruik van de eigen fiets kunt u een werknemer onbelast € 0,19 per kilometer geven. Wel mag u nog een vergoeding geven voor kilometers die de werknemer met een ander vervoermiddel heeft gereisd.

Verstrekt u momenteel al een vergoeding voor zakelijk gebruik van de eigen fiets? Dan is het verstandig om te inventariseren of een fiets van de zaak wel aantrekkelijk is voor uw personeel.

De regeling geldt zowel voor een fiets, e-bike als speed-pedelec. De nieuwe fiets leaseregeling moet de regelgeving rond de fiets te vereenvoudigen. Wie nu over een fiets van de zaak beschikt, moet immers belasting betalen over het privégebruik.

Meer weten? Neem dan contact op met Patricia ter Haar via (0481) 35 12 08 of patricia.terhaar@ons.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *